Selecteer een pagina

Hoe krijg je de touwtjes in handen bij de jaarlijkse prijsindexeringdiscussie

Als je tijdelijk personeel inhuurt bij een detacheringbureau, dan wordt je er vroeg of laat mee geconfronteerd: de prijsindexering. Meestal rond het einde van het jaar of in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar vertelt je leverancier je dat de kosten zijn gestegen en dat de tarieven voor de mensen die jij hebt ingehuurd daarom stijgen met x%. Maar hoe komt de leverancier bij die x%? Als je meerdere bureaus gebruikt, dan zal het je ook opvallen dat iedereen een ander percentage heeft. Bij navraag verwijzen ze allemaal naar het CBS.

Hoe ga je om met prijsindexatie? De belangrijkste tip is om de regie zelf in handen te houden. Als je veel leveranciers hebt, leveren al die indexaties veel werk op. Om dat te verminderen vertel je ze bijvoorbeeld per brief eind november wat je beleid zal zijn voor het komende jaar. Daarmee ben je niet alle discussies kwijt, maar je hebt het jezelf wel een stuk gemakkelijker gemaakt. Zeker als je het goed kunt beredeneren.

Je indexatiebeleid zal per jaar en per segment verschillen. Aan de hand van een aantal vragen kun je voor jouw specifieke organisatie bepalen hoe je met indexatie om wilt gaan.

  1. Vraag je eerst af of er wel geïndexeerd hoeft te worden. Inhuur van specifieke personen hoeft alleen geïndexeerd te worden als je ze langdurig inhuurt – langer dan 2 jaar. Hetzelfde geldt voor tarievenlijsten in raamovereenkomsten. Als je iedere 2 jaar je contracten opnieuw uitzet in de markt, dan kun je opnemen in het contract dat de tarieven gedurende de contracttermijn niet geïndexeerd kunnen worden.
  2. Vraag je af wanneer er geïndexeerd moet worden. Je kunt bijvoorbeeld bepalen dat je indexeert per 1 juli. En dat alle overeenkomsten die na 1 juli zijn begonnen pas in het 2de jaar geïndexeerd worden. Of je indexeert op de jaarlijkse contractvervaldatum. Als je veel contracten hebt met veel verschillende bureaus is dat laatste niet handig, want dan moet je je er telkens mee bezig houden.
  3. Wat gebeurt er in de markt? Hierbij moet je onderscheid maken tussen de verschillende sectoren. Stijgen de tarieven? Of dalen ze? In een krappe arbeidsmarkt haalt je leverancier zijn mensen misschien bij je weg. Of je krijgt geen goede kandidaten meer. Maar tijdens een economische crisis is je leverancier blij dat zijn mensen zijn ingezet. Je kunt dan een 0-index of een verlaging aankondigen.
    In de periode 2007/2008 stegen de tarieven van detacheringbureaus met soms wel 20% in 1 jaar. Onder het mom van krapte. Tijdens de recessie die volgde eisten enkele grote opdrachtgevers van hun leveranciers dat de tarieven met 20% zouden zakken. En heel veel tarieven zijn op dat moment inderdaad flink aangepast.
  4. Hoe sterk sta je ten opzichte van je leverancier? Ben je een goede klant die hij niet graag kwijt raakt? Of loop je juist een groot risico als bepaalde tijdelijke krachten vertrekken?

Vraag en aanbod spelen een grote rol. Als klant krijg je niet altijd goed zicht op wat er in de markt. En je leverancier doet er alles aan om het beeld diffuus te houden. Zo sprak ik tijdens de recessie heel wat detacheringbureaus. Bekend was dat de vraag in de markt was met 25-30% teruggelopen. Maar bijna alle leveranciers vertelden mij dat het bij hun organisatie nog niet zo slecht ging. En of de tarieven toch niet een ietsje omhoog konden…

Als je besloten hebt dat een aanpassing van het tarief op zijn plaats is, dan is het CBS op zich een goede bron van “objectieve” informatie. Maar dè CBS-index voor de tarieven van flexibele arbeid bestaat niet. Het CBS berekent heel veel verschillende indexen, ook voor arbeidskosten. Zo zijn er de tabellen met de arbeidskosten, de CAO-lonen. Maar welke is relevant? De index is uit te splitsen naar particuliere sector, overheid, gesubsidieerde sector of totaal. Maar ook naar verschillende sectoren: van landbouw en visserij tot zakelijke dienstverlening en van computerservices tot onderwijs. En je kunt kiezen voor maandmutaties en jaarmutaties (per maand of per kwartaal). Volg je het nog? Ergens in deze brei van cijfers is vast wel de indexering te vinden die jouw leverancier heeft uitgekozen. Goede kans dat het niet het laagste percentage was dat erbij zat…

Allereerst moet je je afvragen hoe relevant de CAO-loonindex is. Het tarief dat je betaalt bestaat voor slechts een deel uit het loon van de tijdelijk medewerker. Als vuistregel kun je hanteren dat hoe lager het tarief dat je betaald, hoe groter het aandeel “loon” zal zijn. Maar zelfs als je een uitzendkracht inhuurt met een behoorlijke volumekorting zal het loon van die uitzendkracht op zijn best iets meer dan de helft van het tarief uitmaken. Als je een softwareconsultant inhuurt bedraagt het loon vaak veel minder dan de helft van het tarief. Dat betekent niet dat de rest pure winst is voor het bureau. Hier zitten de werkgeverslasten in, pensioenpremies, vervoerskosten (niet bij uitzendkrachten overigens), opleiding- en ontwikkelingskosten, ziekte- en verzuimkosten, leegloop e.d. Daarnaast zijn er overhead en winst. Deze laatste 2 posten variëren enorm per bureau. En een stijging van de lonen met –bijvoorbeeld – 3% betekent niet automatisch dat alle andere kosten ook met 3% zijn gestegen. De CAO-loonindex kun je dus het beste radicaal van de hand wijzen als ongeschikt voor dit doel.

Een beter alternatief is de dienstenprijzen, commerciële dienstverlening index. Hierin vind je diensten als organisatieadvies, softwareconsultancy, koeriers, advocatuur, ingenieurs etc. Dit gaat over de dienst en ligt dus dichter bij het tarief dat je betaalt. Let wel op: het blijft altijd een gemiddelde. Het beste kun je rekenen met het indexcijfer. Zo voorkom je dat je ongemerkt steeds toch wat meer verhoogt dan nodig. En houd bij wat je dit jaar hebt gebruikt. Dat is weer je basis voor volgend jaar.

Tot slot het advies om vooraf duidelijk aan het detacheringbureau te vertellen hoe je omgaat met tussentijdse prijsindexering. Dat maakt de onvermijdelijke jaarlijkse discussie een stuk gemakkelijker.

 

Jeanette de Haas©